Uit Massamoord is ook maar een woord.


*

Vervloekt zij Adam, die zich liet verleiden
Ten koste van zijn luie leefpatroon
En nota bene door een vrouwspersoon
De grenzen van de Heer te overschrijden

Het is door hem dat wij uit schuldbetoon
Als mannen nu tot in het eind der tijden
Ons in het zweet des aanschijns moeten wijden
Aan arbeid voor een schamel hongerloon

Als man heb ik nu lang genoeg geleden
Voor wetten die ik niet heb overtreden
Maar waar ik wel mijn boete voor moet doen

En als de Heer een heer is van fatsoen
Dan gunt Hij ons een welverdiend pensioen
En laat Hij ons weer in de Hof van Eden

Pepijn de Korte

Als Koning was hij een markant figuur
Zijn moeder noemde hem haar ukkepukje
En was zijn heerschappij van lange duur
Dat lange sloeg dus niet op zijn postuur

Dat leidde wel tot menig ongelukje
De beste man kon immers nergens bij
Dus kukelde geregeld van een krukje
En toen hij oud werd kromp hij zelfs een stukje

Gevoel voor humor had hij generlei
Je moest er in zijn bijzijn dus voor waken
Dat je maar niets over zijn lengte zei

Vooral niets lolligs, want dan fronste hij
En antwoordde gevat op zulke zaken:
‘Ik laat u straks een kopje kleiner maken’

Karel de Stoute

Zijn honger, als potente edelman,
Was al op jonge leeftijd niet te stillen
Hij was wat je wel noemt een Don Juan
En regelmatig nam hij het ervan

Gewoon, wat alle mannen stiekem willen
Hij stelde jongedames vaak de vraag:
‘Zou u voor mij uw rok op willen tillen
En mag ik even voelen aan uw billen?’

Zo’n dame zei de hertog dan vaak: ‘graag’,
Je kon zijn wensen immers niet negeren,
En deed dan wulps haar onderbroek omlaag

Maar soms vatte zijn vrouw hem in de kraag
Waarbij zij riep: ‘Kom hier, ik zal je leren!’
De hertog kon hem dan maar beter smeren



Sneak preview uit zijn nieuwe bundel, die Koeien zijn als waarheid absoluut zal gaan heten.


*

Hij kwam tevoorschijn als een donderslag
En bivakkeert hier nu een aantal weken
De reden voor zijn komst is niet gebleken
Ik twijfel ook nog of ik hem wel mag

Ik voel me minder eenzaam met de dag
Maar anderzijds ook tamelijk bekeken
Soms voelt zijn aanblik als een warme deken
En dan weer stoor ik me aan zijn gedrag

Met gretigheid omhelst hij het beton
En vordert hij zijn vunzige praktijken
In zijn verwijfde, muffe nachtjapon

Hij praat niet maar ik zie hem heus wel kijken
Er zit een schimmelplek op het plafond
Die meer en meer op God begint te lijken

*

Al zal een calculator nimmer falen
Wanneer de invoer striktnauwkeurig is
Behoudens dan een energiecrisis
Hij zal het nooit bij een abacus halen

Ik reken alles netjes uit met kralen
Voorwaar, het is bepaald geen kattenpis
Hoe ik me van de feiten vergewis
Een mens brengt offers voor zijn idealen

Een bezigheid met pieken en met dalen
Het spreekt vanzelf dat ik mij soms vergis
Daar kan ik godverdomme flink van balen

Dan onderga ik tot mijn ergernis
De confrontatie met mijn eigen falen
En bid ik huilend tot Sint Juttemis

*

Het schoolgebouw is door de nacht gevangen
De duisternis voert er een strak bewind
Het tocht hier en er loopt docent noch kind
En op de tast bewandel ik de gangen

Ik zoek altijd wat anders dan ik vind
Al heb ik hier nu andere belangen
Het voelt alsof de tijd is blijven hangen
En of mijn schooltijd weer opnieuw begint

Dan nader ik het eind van dit stilleven
Want verderop word ik een licht gewaar
Daar wordt dus kennelijk nog les gegeven

Ik zie, wanneer ik het lokaal in staar,
De jongen die ik altijd ben gebleven
Hij zit verlegen aan de lessenaar